Zoeken
sufrir
01
lijden
experimentar dolor físico o emocional
Voorbeelden
Mi abuela sufre de artritis en las rodillas.
Mijn oma lijdt aan artritis in haar knieën.
02
verdragen
soportar o resistir algo desagradable o difícil
Voorbeelden
Sufrió el calor del verano sin quejarse.
Hij verdroeg de zomerhitte zonder te klagen.
03
lijden
experimentar un efecto negativo o adversidad
Voorbeelden
Sufrió un revés en su carrera profesional.
Hij ondervond een tegenslag in zijn professionele carrière.



























