Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
posponer
01
uitstellen, verzetten
dejar algo para hacerlo en un momento posterior
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
samenstelling
actiewerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
pospongo
3e persoon enkelvoud
pospone
onvoltooid deelwoord
posponiendo
onvoltooid verleden tijd
pospuso
voltooid deelwoord
pospuesto
Voorbeelden
Decidieron posponer la boda hasta el próximo año.
Ze besloten de bruiloft tot volgend jaar uit te stellen.



























