Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
invocar
01
aanroepen, zich beroepen op
hacer referencia a algo o apoyarse en ello para sustentar un argumento o acción
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
invoco
3e persoon enkelvoud
invoca
onvoltooid deelwoord
invocando
onvoltooid verleden tijd
invocó
voltooid deelwoord
invocado
Voorbeelden
El profesor invocó ejemplos históricos para explicar la lección.
De leraar beriep zich op historische voorbeelden om de les uit te leggen.
02
aanroepen
llamar a espíritus, deidades o fuerzas sobrenaturales mediante rituales o palabras mágicas
Voorbeelden
La película muestra cómo invocar a un espíritu maligno.
De film laat zien hoe je een boze geest kunt oproepen.



























