Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
enganchar
01
aannemen, in dienst nemen
contratar a alguien para un trabajo o tarea
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
engancho
3e persoon enkelvoud
engancha
onvoltooid deelwoord
enganchando
onvoltooid verleden tijd
enganchó
voltooid deelwoord
enganchado
Voorbeelden
Engancharon a un nuevo técnico para la fábrica.
Aannemen van een nieuwe technicus voor de fabriek.
02
verslaafd raken, vast komen te zitten
volverse dependiente de una droga o sustancia
Voorbeelden
No te enganches al alcohol.
Verslaaf je niet aan alcohol.
03
blijven haken, vast komen te zitten
quedar atrapado o enganchado físicamente en algo
Voorbeelden
El cinturón del pantalón se enganchó en la silla.
De riem van de broek bleef haken aan de stoel.



























