Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
decaer
01
afnemen, verzwakken
perder fuerza, intensidad, valor o importancia
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
samenstelling
toestandswerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
decaigo
3e persoon enkelvoud
decae
onvoltooid deelwoord
decaendo
onvoltooid verleden tijd
decaí
voltooid deelwoord
decaído
Voorbeelden
La popularidad del político comenzó a decaer.
De populariteit van de politicus begon te dalen.
02
verslechteren, afnemen
ponerse peor en salud, ánimo o condición
Voorbeelden
Su ánimo decaía cada día que pasaba.
Zijn humeur verslechterde met elke dag die voorbijging.



























