Zoeken
decaer
01
afnemen, verzwakken
perder fuerza, intensidad, valor o importancia
Voorbeelden
La popularidad del político comenzó a decaer.
De populariteit van de politicus begon te dalen.
02
verslechteren, afnemen
ponerse peor en salud, ánimo o condición
Voorbeelden
Su ánimo decaía cada día que pasaba.
Zijn humeur verslechterde met elke dag die voorbijging.



























