Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
La banda
01
groep, band
grupo de personas que tocan instrumentos y/o cantan juntas
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
mens
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
vrouwelijk
meervoudsvorm
bandas
Voorbeelden
La banda tocó en el festival de música.
De band speelde op het muziekfestival.
02
streep, band
tira o franja larga y estrecha, generalmente de color o material distinto del resto
Voorbeelden
La bandera tiene una banda roja en el centro.
De vlag heeft een rode streep in het midden.
03
bende
grupo de personas que se asocian para cometer delitos o actuar fuera de la ley
Voorbeelden
La policía arrestó a una banda de ladrones.
De politie heeft een bende dieven gearresteerd.
04
zwerm, troep
conjunto de aves que vuelan o se mueven juntas
Voorbeelden
Una banda de pájaros cruzó el cielo al amanecer.
Een zwerm vogels stak de lucht over bij zonsopgang.
05
zijlijn, grens
la línea que marca el límite de un campo de juego
Voorbeelden
El balón salió por la banda.
De bal ging over de zijlijn.



























