Zoeken
avanzar
01
vooruitgaan, vorderen
moverse hacia adelante o progresar en una dirección
Voorbeelden
Avanza un poco más y verás la señal.
Ga een beetje verder en je zult het bord zien.
02
vooruitgaan, vorderen
progresar o mejorar en un proceso, actividad o situación
Voorbeelden
El aprendizaje de un idioma avanza con la práctica diaria.
Het leren van een taal vordert met dagelijkse oefening.
03
verstrijken, voorbijgaan
pasar o transcurrir el tiempo o las estaciones
Voorbeelden
El año avanza sin que nos demos cuenta.
Het jaar verstrijkt zonder dat we het merken.



























