Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
aturdir
01
verdoven, verwarren
hacer que alguien pierda la claridad mental o se sienta confundido
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
1e persoon enkelvoud
aturdo
3e persoon enkelvoud
aturde
onvoltooid deelwoord
aturdiendo
onvoltooid verleden tijd
aturdió
voltooid deelwoord
aturdido
Voorbeelden
El ruido aturdió a los trabajadores.
Het lawaai verdoofde de werknemers.
02
doof maken, duizelig maken
hacer que alguien pierda la audición temporalmente o se sienta aturdido por un ruido fuerte
Voorbeelden
El tráfico ruidoso aturdía a los peatones.
Het lawaaierige verkeer verdoofde de voetgangers.
03
verbijsteren, in verwarring brengen
confundir o desconcertar a alguien hasta el punto de no saber cómo reaccionar
Voorbeelden
Las instrucciones contradictorias aturden a los estudiantes.
De tegenstrijdige instructies verbijsteren de studenten.



























