Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
El hogar
01
thuis, huis
la casa o el lugar donde se vive, considerado en su aspecto emocional y familiar
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
hogares
Voorbeelden
Construyeron su hogar en un pequeño pueblo cerca del mar.
Ze bouwden hun thuis in een klein dorpje aan zee.
02
haard, open haard
la parte del suelo de una chimenea donde se hace el fuego
Voorbeelden
Limpiaron la ceniza acumulada en el hogar.
Ze hebben de opgehoopte as in de haard schoongemaakt.



























