Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
desabrochar
01
ontknopen, losmaken
abrir un cierre, como una hebilla, un broche o un gancho
Voorbeelden
Desabrochó la hebilla del cinturón después de comer.
Hij maakte de gesp van de riem los na het eten.
02
losgaan, open gaan
una prenda o cierre que se abre por sí solo
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
1e persoon enkelvoud
desabrocho
3e persoon enkelvoud
desabrocha
onvoltooid deelwoord
desabrochando
onvoltooid verleden tijd
me desabroché
voltooid deelwoord
desabrochado
Voorbeelden
El broche del collar se desabrochó y casi lo pierde.
De sluiting van de ketting ging open en ze verloor hem bijna.



























