Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
pasado
01
verleden, voormalig
que pertenece a un tiempo anterior al presente
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
voltooid-deelwoordelijk bijvoeglijk naamwoord
relationeel
niet gradueerbaar
mannelijk enkelvoud
pasado
mannelijk meervoud
pasados
vrouwelijk enkelvoud
pasada
vrouwelijk meervoud
pasadas
Voorbeelden
El mes pasado viajé a Madrid.
Vorige maand reisde ik naar Madrid.
02
overgekookt, te lang gekookt
cocinado más de lo necesario
Voorbeelden
La sopa está demasiado pasada.
De soep is te doorgekookt.
03
oudbakken, niet meer vers
comida que ya no está fresca
Voorbeelden
Las galletas ya están pasadas.
De koekjes zijn al bedorven.
El pasado
01
verleden, verstreken tijd
tiempo que ya ocurrió
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
samenstelling
ontelbaar
geslacht
mannelijk
Voorbeelden
Hablamos mucho sobre el pasado.
We praten veel over het verleden.



























