Zoeken
crecer
[past form: crecí][present form: crezco]
01
groeien, zich ontwikkelen
aumentar de tamaño o desarrollarse
Voorbeelden
Las flores crecen en el jardín.
De bloemen groeien in de tuin.
02
toenemen
hacerse más grande o numeroso en cantidad, intensidad o influencia
Voorbeelden
La preocupación por el cambio climático crece.
De bezorgdheid over klimaatverandering groeit.
03
opgroeien
desarrollarse física o mentalmente con el paso del tiempo
Voorbeelden
Mis hijos crecieron felices y sanos.
Mijn kinderen zijn gelukkig en gezond opgegroeid.
04
groeien
aumentar en tiempo, duración o extensión
Voorbeelden
La espera crece cada día.
Het wachten lengt elke dag aan.



























