Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
dar
01
geven
entregar algo a alguien voluntariamente
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
1e persoon enkelvoud
doy
3e persoon enkelvoud
da
onvoltooid deelwoord
dando
onvoltooid verleden tijd
di
voltooid deelwoord
dado
Voorbeelden
Me dio el libro en la mano.
Hij gaf me het boek in de hand.
02
produceren
producir o generar algo natural, material o abstracto
Voorbeelden
Esta planta da flores en primavera.
Deze plant geeft bloemen in de lente.
03
organiseren
organizar o celebrar un evento o reunión
Voorbeelden
Dieron una fiesta por su cumpleaños.
Ze gaven een feest voor zijn verjaardag.
04
toekennen
conceder un premio, honor o permiso a alguien
Voorbeelden
Le dieron un premio por su trabajo.
Geven hem een prijs voor zijn werk.
05
zeggen
comunicar o expresar información, opiniones o mensajes
Voorbeelden
El presidente dio un discurso.
De president hield een toespraak.



























