Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
dar
01
geven
entregar algo a alguien voluntariamente
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
1e persoon enkelvoud
doy
3e persoon enkelvoud
da
onvoltooid deelwoord
dando
onvoltooid verleden tijd
di
voltooid deelwoord
dado
Voorbeelden
Le di el dinero al cajero.
Ik heb het geld aan de kassier gegeven.
02
produceren
producir o generar algo natural, material o abstracto
Voorbeelden
Este vino da buen sabor al guiso.
Deze wijn geeft een goede smaak aan de stoofpot.
03
organiseren
organizar o celebrar un evento o reunión
Voorbeelden
El club dio una reunión especial.
De club hield een speciale bijeenkomst.
04
toekennen
conceder un premio, honor o permiso a alguien
Voorbeelden
La universidad le dio un título honorífico.
De universiteit verleende hem een eretitel.
05
zeggen
comunicar o expresar información, opiniones o mensajes
Voorbeelden
Dio las gracias al público.
Hij bedankte het publiek.



























