Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
vencer
[past form: vencí][present form: venzo]
01
verslaan
ganar o superar a alguien en una competencia, conflicto o desafío
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
1e persoon enkelvoud
venzo
3e persoon enkelvoud
vence
onvoltooid deelwoord
venciendo
onvoltooid verleden tijd
vencí
voltooid deelwoord
vencido
Voorbeelden
Nuestro club quiere vencer en el campeonato regional.
Onze club wil verslaan in het regionale kampioenschap.
02
verlopen
llegar al final del período de validez de algo
Voorbeelden
La garantía está a punto de vencer.
De garantie staat op het punt te verlopen.



























