Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
aprobar
01
slagen
tener éxito en un examen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
1e persoon enkelvoud
apruebo
3e persoon enkelvoud
aprueba
onvoltooid deelwoord
aprobando
onvoltooid verleden tijd
aprobé
voltooid deelwoord
aprobado
Voorbeelden
María aprobó el examen de matemáticas.
María is geslaagd voor het wiskunde-examen.
02
goedkeuren
aceptar o dar por bueno algo, especialmente una decisión, plan o propuesta
Voorbeelden
El comité aprobó la propuesta.
De commissie keurde het voorstel goed.
03
goedkeuren, aannemen
aceptar oficialmente una ley, medida o propuesta mediante votación o decisión formal
Voorbeelden
El Congreso aprobó una nueva ley de educación.
Het Congres heeft een nieuwe onderwijswet goedgekeurd.



























