Zoeken
aprender
[past form: aprendí][present form: aprendo]
01
leren
adquirir conocimiento o habilidad
Voorbeelden
Aprender un nuevo idioma requiere práctica.
Een nieuwe taal leren vereist oefening.
1.1
leren
adquirir conocimiento o habilidades
Voorbeelden
Los niños aprenden jugando.
Kinderen leren door te spelen.
02
uit het hoofd leren, memoriseren
memorizar o aprender de memoria
Voorbeelden
Nos aprendimos todas las tablas de multiplicar.
We hebben alle tafels uit het hoofd geleerd.



























