jugar
ju
xu
khoo
gar
ˈɣaɾ
ghar
juzgarjuglarjurar

Definitie en betekenis van "jugar"in het Spaans

01

spelen

realizar una actividad recreativa o de entretenimiento 
Intransitive
jugar definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
1e persoon enkelvoud
juego
3e persoon enkelvoud
juega
onvoltooid deelwoord
jugando
onvoltooid verleden tijd
jugué
voltooid deelwoord
jugado
Voorbeelden
Los niños juegan en el parque todos los días. 

De kinderen spelen elke dag in het park.

1.1

spelen

tomar parte en un juego, deporte o competición 
Voorbeelden
Juega al fútbol todos los fines de semana. 

Speelt elk weekend voetbal.

02

riskeren

arriesgar algo, especialmente salud, reputación o posición, con la posibilidad de perderlo 
jugar definition and meaning
Voorbeelden
Ella se jugó la reputación por ese proyecto. 

Ze zette haar reputatie op het spel voor dat project.

03

arriesgar dinero u otros bienes en un juego de azar con la esperanza de ganar más 

Intransitive
jugar definition and meaning
Voorbeelden
Le gusta jugar en el casino. 
3.1

wedden, gokken

arriesgar dinero u objetos de valor en un juego de azar o apuesta 
Voorbeelden
Jugó todo su dinero en el casino. 

Hij heeft al zijn geld in het casino vergokt.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store