Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
girar
01
draaien, wentelen
moverse o hacer que algo se mueva alrededor de un punto o eje
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
giro
3e persoon enkelvoud
gira
onvoltooid deelwoord
girando
onvoltooid verleden tijd
giré
voltooid deelwoord
girado
Voorbeelden
Gira la llave para abrir la puerta.
Draai de sleutel om de deur te openen.
02
afslaan
cambiar de dirección al moverse, especialmente en una calle o camino
Voorbeelden
Gira a la izquierda en la próxima esquina.
Sla linksaf bij de volgende hoek.
03
draaien
moverse el cuerpo o la cabeza alrededor de un eje para mirar en otra dirección
Voorbeelden
La bailarina giró sobre sí misma varias veces.
De danseres draaide meerdere keren om zichzelf.



























