Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
decir
01
zeggen, uitdrukken
expresar algo con palabras
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
1e persoon enkelvoud
digo
3e persoon enkelvoud
dice
onvoltooid deelwoord
diciendo
onvoltooid verleden tijd
dije
voltooid deelwoord
dicho
Voorbeelden
Quiero decir algo importante.
Ik wil iets belangrijks zeggen.
02
zeggen
expresar lo que uno piensa o siente
Voorbeelden
¿Qué dices de nuestra propuesta?
Zeggen wat zegt u over ons voorstel ?
03
het gerucht gaat
expresarse algo de manera indirecta o por rumores
Voorbeelden
Dicen que la fiesta será grande.
Men zegt dat het feest groot zal zijn.



























