Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to insist
01
aanhouden, eisen
to urgently demand someone to do something or something to take place
Voorbeelden
The teacher insisted that students submit their assignments on time.
De leraar stond erop dat de leerlingen hun opdrachten op tijd inleverden.
02
volharden, aanhouden
to be firm or resolute about something and refuse to change one's position
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
insist
3e persoon enkelvoud
insists
onvoltooid deelwoord
insisting
onvoltooid verleden tijd
insisted
voltooid deelwoord
insisted
Voorbeelden
They insisted on speaking with the manager.
Ze stonden erop om met de manager te spreken.
03
volhouden, beweren
to assert or postulate something positively and confidently
Voorbeelden
The professor insisted that the hypothesis was valid.
De professor stond erop dat de hypothese geldig was.
Lexicale Boom
insistence
insistent
insisting
insist



























