Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to hunch
01
zich bukken, zich krommen
to bend the upper side of the body forward and make a rounded back
Intransitive
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
hunch
3e persoon enkelvoud
hunches
onvoltooid deelwoord
hunching
onvoltooid verleden tijd
hunched
voltooid deelwoord
hunched
Voorbeelden
As the storm approached, people hunched against the wind and rain, trying to shield themselves.
Toen de storm naderde, bogen mensen zich tegen de wind en regen, in een poging zichzelf te beschermen.
01
voorgevoel, intuïtie
a feeling or intuition about something, often without conscious reasoning or evidence
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
hunches
Voorbeelden
I had a hunch that it was going to rain, so I brought an umbrella just in case.
Ik had een voorgevoel dat het zou gaan regenen, dus nam ik voor de zekerheid een paraplu mee.
02
bochel, verbuiging
the act of bending yourself into a humped position
Lexicale Boom
hunched
hunch



























