Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to hand out
[phrase form: hand]
01
uitdelen, overhandigen
to provide someone or each person in a group with something
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
out
basiswerkwoord
hand
tegenwoordige tijd
hand out
3e persoon enkelvoud
hands out
onvoltooid deelwoord
handing out
onvoltooid verleden tijd
handed out
voltooid deelwoord
handed out
Voorbeelden
The organization handed blankets out to those affected by the disaster.
De organisatie deelde dekens uit aan degenen die door de ramp zijn getroffen.
02
uitdelen, opleggen
to provide abstract or intangible things, such as punishments, compliments, judgments, advice, etc., to someone
Voorbeelden
The critic was known for handing out scathing judgments on the quality of films, which sometimes led to controversy in the industry.
De criticus stond bekend om het uitdelen van scherpe oordelen over de kwaliteit van films, wat soms tot controverse in de industrie leidde.



























