Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to hand out
01
uitdelen, overhandigen
to provide someone or each person in a group with something
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
out
basiswerkwoord
hand
tegenwoordige tijd
hand out
3e persoon enkelvoud
hands out
onvoltooid deelwoord
handing out
onvoltooid verleden tijd
handed out
voltooid deelwoord
handed out
Voorbeelden
She will hand out the pamphlets to the attendees before the seminar.
Zij zal de pamfletten uitdelen aan de deelnemers voor het seminar.
02
uitdelen, opleggen
to provide abstract or intangible things, such as punishments, compliments, judgments, advice, etc., to someone
Voorbeelden
The judge handed out a harsh punishment to the defendant for their involvement in the crime.
De rechter deelde een strenge straf uit aan de verdachte voor hun betrokkenheid bij het misdrijf.



























