grass
grass
grɑ:s
graas
grossglass

Definitie en betekenis van "grass"in het Engels

01

gras, gazon

a plant with thin, short, and green upright leaves, commonly found in gardens, parks, etc. 
grass definition and meaning
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
ontelbaar
Voorbeelden
After a long winter, the grass in our garden has started to turn green again. 

Na een lange winter is het gras in onze tuin weer groen aan het worden.

1.1

gras, gazon

grass-covered area of ground, often used for lawns or fields 
grass definition and meaning
Voorbeelden
The children played soccer on the lush green grass. 

De kinderen speelden voetbal op het weelderige groene gras.

02

gras, wiet

a type of drug derived from the dried leaves and flowers of a plant called Cannabis or Marijuana, which is illegal in many countries 
grass definition and meaning
Voorbeelden
The police arrested several individuals for possession of grass at the concert. 

De politie heeft verschillende individuen gearresteerd voor het bezit van wiet op het concert.

03

gras, voer

plant material, such as grass or hay, used as food for grazing or browsing animals like horses or cattle 
Voorbeelden
The farmer fed the horses fresh grass every morning. 

De boer voedde de paarden elke ochtend vers gras.

04

verklikker, informant

a police informant who provides information that gets others in trouble 
Voorbeelden
The gang suspected he was a grass. 

De bende vermoedde dat hij een informant was.

to grass
01

duiken, neerstorten

(of birds) to descend rapidly, often by swooping or falling toward the ground 
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
grass
3e persoon enkelvoud
grasses
onvoltooid deelwoord
grassing
onvoltooid verleden tijd
grassed
voltooid deelwoord
grassed
Voorbeelden
Birds grassed toward the field after spotting insects. 

De vogels daalden snel af naar het veld na het spotten van insecten.

02

verklikken, verraden

to inform on or betray someone, especially to the police 
Voorbeelden
He grassed on his accomplices to avoid prison time. 

Hij verklikte zijn handlangers om gevangenisstraf te vermijden.

03

weiden, laten grazen

to feed livestock with grass 
Voorbeelden
The farmer grassed the cows in the morning. 

De boer voerde de koeien 's ochtends met gras.

04

bedekken met gras, gras planten

to cover or plant with grass 
Voorbeelden
They grassed the new lawn over the weekend. 

Zij hebben het nieuwe gazon in het weekend met gras bedekt.

05

drogen op het gras, uitspreiden op het gras

to spread clothes on grass to dry and bleach naturally 
Voorbeelden
Towels were grassed to dry quickly. 

De handdoeken werden op het gras uitgespreid om snel te drogen.

06

begroeien met gras, met gras bedekt raken

to become overgrown with grass 
Voorbeelden
The garden area grassed quickly after watering. 

Het tuingebied begroeide snel met gras na het water geven.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store