Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
grafiek, diagram
a visual representation of the relationship between quantities, shown as points plotted relative to axes
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
graphs
Voorbeelden
The graph displayed the correlation between temperature and ice cream sales.
De grafiek toonde de correlatie tussen temperatuur en ijsverkoop.
02
grafiek, diagram
a visual display of data
Voorbeelden
She created a graph to summarize survey results.
Ze maakte een grafiek om de enquêteresultaten samen te vatten.
03
grafeem, grafisch teken
a written symbol representing a spoken sound
Voorbeelden
Some writing systems use complex graphs for syllables.
Sommige schriftsystemen gebruiken complexe grafemen voor lettergrepen.
04
grafiek, kromme
(in mathematics) a set of points with coordinates that satisfy specific relationships
Voorbeelden
Points on the graph satisfy the given mathematical conditions.
De punten op de grafiek voldoen aan de gegeven wiskundige voorwaarden.
to graph
01
grafisch weergeven, een grafiek maken
to represent information or data using a graph
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
graph
3e persoon enkelvoud
graphs
onvoltooid deelwoord
graphing
onvoltooid verleden tijd
graphed
voltooid deelwoord
graphed
Voorbeelden
She graphed the temperature changes over the week.
Zij grafisch weergegeven de temperatuurveranderingen gedurende de week.
02
in een grafiek weergeven, uitzetten op een grafiek
to plot points or values on a graph
Voorbeelden
They graphed the function y = 2x + 3.
Ze tekenden de functie y = 2x + 3.
Lexicale Boom
autograph
graphic
graphic
graph



























