Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to go in
01
binnengaan, naar binnen gaan
to enter a place, building, or location
Transitive
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
bewegingswerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
in
basiswerkwoord
go
tegenwoordige tijd
go in
3e persoon enkelvoud
goes in
onvoltooid deelwoord
going in
onvoltooid verleden tijd
went in
voltooid deelwoord
gone in
Voorbeelden
The store is closing soon, so if you want to shop, you 'll need to go in quickly.
De winkel gaat snel sluiten, dus als je wilt winkelen, moet je snel naar binnen gaan.
02
binnengaan, blijven hangen
(of facts or information) to be comprehended and retained in one's memory
Voorbeelden
He explained the process in a way that made it go in effortlessly, and I could replicate it.
Hij legde het proces uit op een manier waardoor het moeiteloos binnenkwam, en ik kon het repliceren.
03
verbergen, verdwijen
(of the sun or moon) to be hidden by clouds
Voorbeelden
The sky was clear, but the sun unexpectedly went in behind a dark rain cloud.
De lucht was helder, maar de zon ging onverwacht achter een donkere regenwolk schuil.



























