to go home
Pronunciation
/ɡˌoʊ hˈoʊm/

Definitie en betekenis van "go home"in het Engels

to go home
01

naar huis gaan, terug naar huis gaan

to travel or return to the place where one lives
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
bewegingswerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
home
basiswerkwoord
go
tegenwoordige tijd
go home
3e persoon enkelvoud
goes home
onvoltooid deelwoord
going home
onvoltooid verleden tijd
went home
voltooid deelwoord
gone home
Voorbeelden
We usually go home around six.
We gaan meestal naar huis rond zes uur.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store