Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to go along
01
meegaan, samenwerken
to express agreement or to show cooperation
Intransitive: to go along with a decision or plan
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
along
basiswerkwoord
go
tegenwoordige tijd
go along
3e persoon enkelvoud
goes along
onvoltooid deelwoord
going along
onvoltooid verleden tijd
went along
voltooid deelwoord
gone along
Voorbeelden
He was always willing to go along with his friend's suggestions for their weekend activities.
Hij was altijd bereid om in te stemmen met de suggesties van zijn vriend voor hun weekendactiviteiten.
02
voortgaan, verdergaan
to continue to develop or happen
Intransitive: to go along in a specific manner
Voorbeelden
The semester is going along quickly, and final exams are approaching.
Het semester verloopt snel en de eindexamens naderen.
03
verstrijken, voorbijgaan
(of time) to move forward or pass without stopping
Intransitive: to go along in a specific manner
Voorbeelden
We had a great time at the party, and the evening went along in a flash.
We hebben een geweldige tijd gehad op het feest, en de avond ging voorbij in een oogwenk.
04
langsgaan, verder gaan langs
to move or travel past something or someone, often while following a particular path or route
Transitive: to go along a place
Voorbeelden
As they go along the riverbank, they enjoy the scenic views.
Terwijl ze langs de rivieroever gaan, genieten ze van het mooie uitzicht.



























