Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to gnaw
01
knagen, kauwen
to chew on something persistently
Transitive: to gnaw at sth | to gnaw on sth
Voorbeelden
The rabbit gnawed on the carrot, its sharp teeth making quick work of the crunchy vegetable.
Het konijn knaagde aan de wortel, zijn scherpe tanden maakten snel werk van de knapperige groente.
02
knagen, langzaam slijten
to slowly wear away or damage something over time
Transitive: to gnaw at sth
Voorbeelden
Time had gnawed at the old wooden fence, leaving it splintered and worn.
De tijd had aan het oude houten hek geknaagd, waardoor het versplinterd en versleten was.
Lexicale Boom
gnawer
gnaw



























