Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to gird
01
omgorden, omringen
to encircle or bind with something round, often for support or protection
Transitive: to gird a place or area
Voorbeelden
The garden was girded by a low hedge, marking its perimeter.
De tuin was omringd door een lage haag, die de omtrek markeerde.
02
zich voorbereiden, zich omgorden
to mentally or physically prepare for a difficult or demanding task or challenge
Intransitive: to gird for a challenge
Transitive: to gird oneself for a challenge
Voorbeelden
As the storm approached, the community girded for potential flooding.
Toen de storm naderde, bereidde de gemeenschap zich voor op mogelijke overstromingen.
03
omgorden, omwikkelen
to wrap or secure a belt, band, or similar item around someone or something
Transitive: to gird a person or body part
Voorbeelden
The hiker girded his waist with a utility belt carrying essential tools.
De wandelaar omgordde zijn middel met een utilityriem die essentiële gereedschappen droeg.
Lexicale Boom
girder
undergird
gird



























