Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to fluctuate
01
fluctueren, variëren
to vary or waver between two or more states or amounts
Intransitive
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
fluctuate
3e persoon enkelvoud
fluctuates
onvoltooid deelwoord
fluctuating
onvoltooid verleden tijd
fluctuated
voltooid deelwoord
fluctuated
Voorbeelden
Her weight fluctuates depending on her diet and exercise routine.
Haar gewicht schommelt afhankelijk van haar dieet en bewegingsroutine.
02
schommelen, oscilleren
to move or oscillate continually
Intransitive
Voorbeelden
The sea level fluctuates with the tides, rising and falling in a rhythmic pattern throughout the day.
Het zeeniveau schommelt met de getijden, stijgend en dalend in een ritmisch patroon gedurende de dag.
03
fluctueren, variëren
to cause something to change or vary irregularly
Transitive: to fluctuate sth
Voorbeelden
Interest rate adjustments fluctuated the value of the currency.
Renteaanpassingen fluctueerden de waarde van de valuta.
04
aarzelen, schommelen
to waver or hesitate in opinion or action
Intransitive
Voorbeelden
The government fluctuated on whether to impose sanctions on the country.
De regering aarzelde over het opleggen van sancties aan het land.
Lexicale Boom
fluctuating
fluctuation
fluctuate



























