Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to extrapolate
01
extrapoleren, projecteren
to estimate something using past experiences or known data
Transitive: to extrapolate an outcome
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
extrapolate
3e persoon enkelvoud
extrapolates
onvoltooid deelwoord
extrapolating
onvoltooid verleden tijd
extrapolated
voltooid deelwoord
extrapolated
Voorbeelden
We can extrapolate future trends in technology based on the rapid advancements in recent years.
We kunnen toekomstige trends in technologie extrapoleren op basis van de snelle vooruitgang van de afgelopen jaren.
02
extrapoleren, afleiden
to use existing yet insufficient data to make guesses about things that have not yet been observed
Transitive: to extrapolate sth
Voorbeelden
She extrapolated the character’s backstory from hints in the novel.
Ze extrapoleerde de achtergrond van het personage uit aanwijzingen in de roman.
Lexicale Boom
extrapolation
extrapolate



























