Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to screw around
01
zoenen en vrijen, friemelen
to make out or engage in sexual activity without full intercourse
slang
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
around
basiswerkwoord
screw
tegenwoordige tijd
screw around
3e persoon enkelvoud
screws around
onvoltooid deelwoord
screwing around
onvoltooid verleden tijd
screwed around
voltooid deelwoord
screwed around
Voorbeelden
They screwed around last night.
Zij hebben gisteravond gefirt.
02
tijd verdoen, lummelen
to waste time, dawdle, or play idly
Voorbeelden
Do n't screw around; we're on a schedule.
Verspil geen tijd; we zitten op een schema.
03
met iedereen naar bed gaan, avonturen beleven
to have casual sex with multiple people
Voorbeelden
He screwed around in college.
Hij neukte erop los op de universiteit.



























