Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to clasp
01
vastgrijpen, omhelzen
to grip or hold tightly with one's hand
Transitive: to clasp sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
clasp
3e persoon enkelvoud
clasps
onvoltooid deelwoord
clasping
onvoltooid verleden tijd
clasped
voltooid deelwoord
clasped
Voorbeelden
The knight clasps the hilt of his sword, ready for the impending battle.
De ridder grijpt het gevest van zijn zwaard, klaar voor de aanstaande strijd.
02
omklemmen, omhelzen
to hold someone securely and firmly
Transitive: to clasp sb
Voorbeelden
In times of distress, friends often clasp each other for support.
In tijden van nood omhelzen vrienden elkaar vaak voor steun.
03
vastmaken, vastmaken met een broche
to fasten something, such as clothing or accessories, using a small brooch or pin
Transitive: to clasp clothing or accessories
Voorbeelden
The artist carefully clasped the fabric of the canvas together using a small brooch.
De kunstenaar vastgezet zorgvuldig de stof van het canvas samen met een kleine broche.
01
sluiting, gesp
a device, such as a buckle, hook, or clip, used to fasten or hold two objects together
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
clasps
Voorbeelden
The bag had a magnetic clasp for quick closure.
De tas had een magnetische sluiting voor snel sluiten.
Lexicale Boom
unclasp
clasp



























