Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Affair
01
affaire, verhouding
a sexual relationship between two people in which at least one of them is already committed to someone else
Voorbeelden
She was heartbroken when she discovered her husband was having an affair with a colleague.
Ze was kapot toen ze ontdekte dat haar man een affaire had met een collega.
02
evenement, receptie
a social gathering or event, often formal or noteworthy
Voorbeelden
The gala was a grand affair.
Het gala was een groots evenement.
03
zaak, kwestie
a matter, issue, or concern that is not precisely specified
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
meervoudsvorm
affairs
Voorbeelden
The manager dealt with several affairs at once.
De manager behandelde meerdere zaken tegelijk.
04
zaken, aangelegenheden
matters related to business, finance, or personal transactions
Voorbeelden
Her affairs included property investments and stocks.
Haar zaken omvatten vastgoedinvesteringen en aandelen.
05
aangelegenheid, kwestie
an event, situation, or issue that is important or of public interest, often in politics or international relations
Voorbeelden
The minister gave a speech on current international affairs.
De minister hield een toespraak over de huidige internationale aangelegenheden.



























