busy
bu
ˈbɪ
bi
sy
zi
zi
/ˈbɪzi/

Definitie en betekenis van "busy"in het Engels

01

druk, bezig

having so many things to do in a way that leaves not much free time
busy definition and meaning
Voorbeelden
In the bustling city, people are constantly busy with work, errands, and social commitments.
In de bruisende stad zijn mensen constant druk met werk, klusjes en sociale verplichtingen.
02

in gesprek

(of a phone line) engaged in a call, meaning no new calls can be connected at that time
Dialectamerican flagAmerican
engagedbritish flagBritish
busy definition and meaning
Voorbeelden
They heard a busy tone while trying to contact customer service.
Ze hoorden een in-gesprek toon terwijl ze probeerden contact op te nemen met de klantenservice.
03

druk, overvol

(of a place) full of activity or people
Voorbeelden
The café was busy, with people chatting and working on their laptops.
Het café was druk, met mensen die aan het praten waren en op hun laptops werkten.
04

overbeladen, te gedetailleerd

overly detailed, cluttered, or visually complex
Voorbeelden
The design looked busy and confusing.
Het ontwerp zag er druk en verwarrend uit.
05

bemoeizuchtig, opdringerig

intrusive, meddling, or offensively interfering
Voorbeelden
Do n't be busy; mind your own business.
Wees niet druk; bemoei je met je eigen zaken.
to busy
01

zich bezighouden, druk zijn

to occupy oneself with tasks or activities
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store