Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to go at
[phrase form: go]
01
aanvallen, afgaan op
to physically or verbally attack someone
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
bewegingswerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
at
basiswerkwoord
go
tegenwoordige tijd
go at
3e persoon enkelvoud
goes at
onvoltooid deelwoord
going at
onvoltooid verleden tijd
went at
voltooid deelwoord
gone at
Voorbeelden
The street fight had broken out, and participants were going at each other with a vengeance.
De straatvechtpartij was uitgebroken en de deelnemers vochten met wraakzucht.
02
eraan gaan, zich ergens voor inspannen
to work hard and put in a lot of effort to do something
Voorbeelden
She goes at her job with a strong work ethic, always striving for excellence.
Ze pakt haar werk aan met een sterke arbeidsethos, altijd strevend naar uitmuntendheid.



























