Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Blossom
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
blossoms
Voorbeelden
She admired the vibrant blossoms of the magnolia tree as they opened in the warm sunlight.
Ze bewonderde de levendige bloesems van de magnoliaboom terwijl ze openden in het warme zonlicht.
02
bloeiperiode, hoogtepunt
a period of peak prosperity or productivity
Voorbeelden
The city experienced a cultural blossom during the renaissance.
De stad beleefde een culturele bloei tijdens de Renaissance.
to blossom
01
bloeien, uitbotten
(of a plant) to bear flowers, especially flowers that are not fully open
Intransitive
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
blossom
3e persoon enkelvoud
blossoms
onvoltooid deelwoord
blossoming
onvoltooid verleden tijd
blossomed
voltooid deelwoord
blossomed
Voorbeelden
The apple tree in our backyard finally blossomed, promising a bountiful harvest.
De appelboom in onze achtertuin is eindelijk gebloeid, wat een overvloedige oogst belooft.
02
opbloeien, ontluiken
to start to be healthier, more successful, or confident
Intransitive
Voorbeelden
With the support of her mentors, she blossomed into a talented and skilled artist.
Met de steun van haar mentoren bloeide ze op tot een getalenteerde en vaardige kunstenaar.



























