to unfrock
un
ʌn
an
frock
ˈfrɒk
frok

Definitie en betekenis van "unfrock"in het Engels

to unfrock
01

ontkleden, afzetten

to remove someone from the priesthood or clergy, typically as a result of misconduct or violation of religious principles 
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
unfrock
3e persoon enkelvoud
unfrocks
onvoltooid deelwoord
unfrocking
onvoltooid verleden tijd
unfrocked
voltooid deelwoord
unfrocked
Voorbeelden
The bishop unfrocks the priest for his involvement in the scandal. 

De bisschop ontneemt de priester zijn ambt vanwege zijn betrokkenheid bij het schandaal.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store