Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
ontelbaar
Voorbeelden
He eats his scrambled eggs with a side of toast.
Hij eet zijn roereieren met een sneetje toast.
02
toast
the act of raising a glass, usually filled with alcohol, in honor of someone or to wish them health, happiness, or success
Voorbeelden
The best man gave a touching toast to the newlyweds at the wedding reception.
De getuige bracht een ontroerende toast uit aan het pasgetrouwde stel tijdens de huwelijksreceptie.
03
ster, gevierd persoon
a person who is widely admired, praised, or the center of attention
Voorbeelden
The actor was the toast of the festival.
De acteur was de ster van het festival.
04
afgelopen, verloren
a person in serious trouble or facing inevitable failure
Voorbeelden
After missing the deadline, he knew he was toast.
Nadat hij de deadline had gemist, wist hij dat hij verloren was.
to toast
01
roosteren, toasten
to make food such as bread or cheese brown by heating it
Transitive: to toast food
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
toast
3e persoon enkelvoud
toasts
onvoltooid deelwoord
toasting
onvoltooid verleden tijd
toasted
voltooid deelwoord
toasted
Voorbeelden
Toast the bread until it's golden brown and crispy.
Rooster het brood tot het goudbruin en knapperig is.
02
toosten, een toast uitbrengen
to express good wishes or congratulations, usually by raising a glass and drinking in honor of a person, event, or achievement
Transitive: to toast a person or event
Intransitive: to toast to an event
Voorbeelden
Friends gathered to toast the success of their colleague's promotion.
Vrienden kwamen bijeen om te proosten op het succes van de promotie van hun collega.
Lexicale Boom
toasty
toast



























