Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
team, ploeg
a group of people who compete against another group in a sport or game
Dialect
American
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
mens
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
teams
Voorbeelden
Team members collaborated seamlessly to achieve a shared goal of innovation.
De leden van het team werkten naadloos samen om een gemeenschappelijk doel van innovatie te bereiken.
02
span, team
two or more draft animals that work together to pull something
03
team, groep
a group of people working together towards a common goal or purpose
Voorbeelden
A team of doctors worked to save the patient's life.
Een team van artsen werkte om het leven van de patiënt te redden.
to team
01
samenwerken, in teamverband werken
to collaborate and work collectively
Intransitive
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
team
3e persoon enkelvoud
teams
onvoltooid deelwoord
teaming
onvoltooid verleden tijd
teamed
voltooid deelwoord
teamed
Voorbeelden
As volunteers, they decided to team to organize the community event.
Als vrijwilligers besloten ze om samen te werken om het gemeenschapsevenement te organiseren.



























