Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to swish
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
swish
3e persoon enkelvoud
swishes
onvoltooid deelwoord
swishing
onvoltooid verleden tijd
swished
voltooid deelwoord
swished
Voorbeelden
The horse 's tail swished back and forth as it trotted along the path.
De staart van het paard zwaaide heen en weer terwijl het langs het pad draafde.
02
snel bewegen, vegen
to cause to move quickly and smoothly, often producing a soft, hissing sound
Transitive
Voorbeelden
She swished the fan to cool herself off.
Ze swishde de waaier om zichzelf af te koelen.
03
swishen, scoren zonder de ring of het bord te raken
to make a shot in basketball where the ball goes through the hoop without touching the rim or backboard
Voorbeelden
That was a perfect swish, no rim involved!
Dat was een perfecte swish, zonder de ring te raken!
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
swishes
Voorbeelden
The swish of the cloth against the floor echoed in the empty room.
Het geruis van de stof tegen de vloer echode in de lege kamer.
02
homo, mietje
a gay man, often implying stereotypical feminine traits
Voorbeelden
The older generation might refer to someone as a " swish, " but younger people reject such labels.
De oudere generatie zou iemand een "swish" kunnen noemen, maar jongeren verwerpen dergelijke labels.
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
kwalitatief
overtreffende trap
swishest
vergrotende trap
swisher
gradueerbaar
Voorbeelden
He drove a swish sports car, turning heads wherever he went.
Hij reed een chique sportauto, die overal waar hij kwam de aandacht trok.



























