Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to belt up
[phrase form: belt]
01
zijn mond houden, dichtklappen
to suddenly become silent or stop talking
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
up
basiswerkwoord
belt
tegenwoordige tijd
belt up
3e persoon enkelvoud
belts up
onvoltooid deelwoord
belting up
onvoltooid verleden tijd
belted up
voltooid deelwoord
belted up
Voorbeelden
After the reprimand, he had to belt up to avoid further consequences.
Na de berisping moest hij zijn mond houden om verdere gevolgen te vermijden.
02
de gordel omdoen, zich vastgespen
to secure oneself in a vehicle by putting on a seat belt
Voorbeelden
Passengers are encouraged to belt up even for short journeys.
Passagiers worden aangemoedigd om zich vast te klikken zelfs voor korte ritten.



























