Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to slosh
01
klotsen, morsen
(of a liquid) to move around or spill in irregular motions
Intransitive
Voorbeelden
The waves sloshed against the sides of the boat, drenching those on board.
De golven klotsten tegen de zijkanten van de boot en doordrenkten degenen aan boord.
02
ploeteren, spatten
to walk or move through liquid, making a splashing sound
Intransitive
Voorbeelden
The dog sloshed through the lake, chasing after a stick.
De hond ploeterde door het meer, achter een stok aan.
03
morsen, knoeien
to spill or pour liquid in a messy, careless way
Transitive: to slosh a liquid
Voorbeelden
The waiter accidentally sloshed wine on the customer's lap.
De ober morsde per ongeluk wijn op de schoot van de klant.
Lexicale Boom
sloshed
slosh



























