Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
pijn, zeur
a continuous pain in a part of the body, often not severe
Voorbeelden
My grandmother always complains about an ache in her leg.
Mijn grootmoeder klaagt altijd over een pijn in haar been.
to ache
01
pijn doen, lijden
to feel a prolonged physical pain in a part of one's body, especially one that is not severe
Intransitive
Voorbeelden
When the weather changes, some people's joints ache due to sensitivity.
Wanneer het weer verandert, doen de gewrichten van sommige mensen pijn vanwege gevoeligheid.
Voorbeelden
The old photographs made her ache for the carefree summers of her childhood.
De oude foto's deden haar verlangen naar de zorgeloze zomers van haar jeugd.
03
pijn doen, pijn veroorzaken
to cause a persistent or dull pain
Intransitive
Voorbeelden
The hunger in her stomach ached, making her long for food.
De honger in haar maag deed pijn, waardoor ze naar eten verlangde.
Lexicale Boom
achy
ache



























