Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to scale down
01
verkleinen, verminderen
to make something smaller in size, amount, or intensity
Transitive: to scale down sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
down
basiswerkwoord
scale
tegenwoordige tijd
scale down
3e persoon enkelvoud
scales down
onvoltooid deelwoord
scaling down
onvoltooid verleden tijd
scaled down
voltooid deelwoord
scaled down
Voorbeelden
After moving to a tiny apartment, she scaled down her furniture.
Na verhuizing naar een klein appartement verkleinde ze haar meubels.
1.1
proportioneel verkleinen, afschalen
to reduce the size or quantity of something while keeping its proportions or ratios the same
Transitive: to scale down sth
Voorbeelden
The recipe was scaled down to serve two people instead of ten.
Het recept werd verkleind om twee personen te serveren in plaats van tien.



























