Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to rival
01
wedijveren, concurreren
to be equal to or compete closely with someone or something in terms of skill, ability, or performance
Transitive: to rival sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
rival
3e persoon enkelvoud
rivals
onvoltooid deelwoord
rivaling
onvoltooid verleden tijd
rivaled
voltooid deelwoord
rivaled
Voorbeelden
Can you please name a company that rivals ours in terms of market share?
Kunt u alstublieft een bedrijf noemen dat met ons concurreert in termen van marktaandeel?
02
rivaliseren, wedijveren
to compete with someone or something in a contest or for the same goal or advantage
Transitive: to rival sb
Voorbeelden
The two brands have been rivaling each other for market dominance for years.
De twee merken rivaliseren al jaren met elkaar om marktdominantie.
01
rivaal, concurrent
a person or entity competing against another for the same objective or superiority in a field
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
mens
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
rivals



























