Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to possess
01
bezitten, hebben
to have something as one's own
Transitive: to possess sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
possess
3e persoon enkelvoud
possesses
onvoltooid deelwoord
possessing
onvoltooid verleden tijd
possessed
voltooid deelwoord
possessed
Voorbeelden
As an avid art collector, he possesses valuable paintings from renowned artists.
Als een fervent kunstverzamelaar bezit hij waardevolle schilderijen van gerenommeerde kunstenaars.
02
bezitten, hebben
to have a particular quality, attribute, knowledge, or skill
Transitive: to possess a quality or attribute
Voorbeelden
She possesses a remarkable talent for playing the piano.
Ze bezit een opmerkelijk talent voor het spelen van de piano.
03
bezitten, in de greep zijn van
to be overtaken or influenced by a particular emotion, idea, or state of mind
Transitive: to possess sb
Voorbeelden
His anger possessed him, leading to words and actions he later regretted.
Zijn woede bezat hem, wat leidde tot woorden en daden waar hij later spijt van had.
Lexicale Boom
dispossess
possessed
possession
possess



























