to possess
po
ssess
ˈzɛs
zes
professprecessexpressundress

Definitie en betekenis van "possess"in het Engels

to possess
01

bezitten, hebben

to have something as one's own 
Transitive: to possess sth
to possess definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
possess
3e persoon enkelvoud
possesses
onvoltooid deelwoord
possessing
onvoltooid verleden tijd
possessed
voltooid deelwoord
possessed
Voorbeelden
As an avid art collector, he possesses valuable paintings from renowned artists. 

Als een fervent kunstverzamelaar bezit hij waardevolle schilderijen van gerenommeerde kunstenaars.

02

bezitten, hebben

to have a particular quality, attribute, knowledge, or skill 
Transitive: to possess a quality or attribute
Voorbeelden
She possesses a remarkable talent for playing the piano. 

Ze bezit een opmerkelijk talent voor het spelen van de piano.

03

bezitten, in de greep zijn van

to be overtaken or influenced by a particular emotion, idea, or state of mind 
Transitive: to possess sb
Voorbeelden
His anger possessed him, leading to words and actions he later regretted. 

Zijn woede bezat hem, wat leidde tot woorden en daden waar hij later spijt van had.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store