pair
Pronunciation
/ˈpɛɹ/

Definitie en betekenis van "pair"in het Engels

01

paar, duo

a set of two matching items that are designed to be used together or regarded as one
pair definition and meaning
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
pairs
Voorbeelden
The pair of gloves she wore was perfect for the cold weather.
Het paar handschoenen dat ze droeg was perfect voor het koude weer.
02

paar

two items of the same kind
03

paar, koppel

two people considered as a unit
04

paar, tweetal

a poker hand with 2 cards of the same value
to pair
01

een paar vormen, paren

form a pair or pairs
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
pair
3e persoon enkelvoud
pairs
onvoltooid deelwoord
pairing
onvoltooid verleden tijd
paired
voltooid deelwoord
paired
02

paren, combineren

to connect or combine two objects, ideas, or people, often because they complement or work well together
Voorbeelden
The teacher paired students for a group project to encourage teamwork.
De leraar heeft leerlingen gekoppeld voor een groepsproject om teamwork aan te moedigen.
03

paren, copuleren

engage in sexual intercourse
04

paren, koppelen

arrange in pairs
05

paren, een paar vormen

occur in pairs
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store