Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to outrun
01
inhalen, achter zich laten
to move at a greater speed than someone or something
Transitive: to outrun sb/sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
samenstelling
bewegingswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
outrun
3e persoon enkelvoud
outruns
onvoltooid deelwoord
outrunning
onvoltooid verleden tijd
outran
voltooid deelwoord
outrun
Voorbeelden
The suspect sprinted but was unable to outrun the pursuing police officers.
De verdachte sprintte maar kon de achtervolgende politieagenten niet ontlopen.
02
overtreffen, voorbijstreven
to surpass or exceed a limit, expectation, or previous achievement
Transitive: to outrun a limit or level
Voorbeelden
The athlete 's determination to improve allowed him to outrun his own records.
De vastberadenheid van de atleet om te verbeteren stelde hem in staat zijn eigen records te overtreffen.



























